Brasverwant

 

Vol van honger en van dorst

naar de liefde en naar lust.

Legen we elke beker

die onze lippen kust.

 

En we schreeuwen ons een weg

door de onbestemde nacht.

Boeren één voor één de naam op

van ’n man die op ons wacht.

 

Oh brasverwant, mijn maatje loos,

Mijn lavelief, oh laveloos.

 

We kunnen alles maken

en we maken alles stuk.

Zo lang de bodem niet in zicht is

is het glas half vol geluk.

 

Eén nagel is ook genoeg

om te krabben waar het jeukt.

En de rest mag aan de doodskist

voor als het leven ons verneukt.

 

Oh brasverwant, mijn maatje loos,

mijn lavelief, oh laveloos.

 

En ’n onvaste hand die leidt je

naar een veel te stille plek.

Net voor ’t allemaal niks meer uitmaakt

drukt ‘ie z’n lippen in je nek.

 

Oh brasverwant, mijn maatje loos.

Waar zit je nou, jij stomme doos.

Mijn lavelief, voor zijn gerief.

Loos alarm, te laveloos.

Kom brasverwant, nu pak je glas

en neem mijn hand.

 

Er is een kerkhof vol verlangen

dat ‘ie daar z’n bloemen brengt.

En stilletjes de tranen huilt

waar hij ’t leven mee aanlengt.

 

Oh brasverwant, mijn maatje loos.

Mijn lavelief, oh laveloos.

Pak je glas en neem mijn hand.

 

En we zingen over straat

dwars door de tranen heen.

Over mannen en mans mooie praat.

Want wie in de goot nog zingen kan

hoeft geen bloemen van een man.

 

In  de straten galmt het na.

En uit volle borst over het plein.

Voor ons geen hart van chocola

in ruil voor water bij de wijn.

 

Oh brasverwant, mijn maatje loos.

Mijn lavelief, oh laveloos.

Pak je glas en neem mijn hand.

 

Geen hart van chocola

in ruil voor water bij de wijn.

 

©www.ingeschrijft.nl

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.